Betrouwbare diagnose van aaltjes met DNA-methode in de glastuinbouw

PrintPrint  Stuur doorStuur door
wortelknobbelaaltjes
Samenvatting: 

Aaltjes komen in de glastuinbouw veelvuldig voor. Microscopisch onderzoek is specialistisch werk. Via een DNA-methode kan routinematig worden bepaald welke aaltjes aanwezig zijn en hoeveel. Dat maakt het mogeljk om de juiste beheersmaatregelen te treffen.

Betrouwbare diagnose van aaltjes met DNA-methode in de glastuinbouw

Aaltjes komen in de glastuinbouw voor in zowel grondteelten als in substraat. Er zijn verschillende besmettingsbronnen en bij hergebruik van matten wordt het risico op een aaltjesbesmetting groter. Tijdig signaleren kan veel problemen voorkomen. DNA-analyse vergroot de kans op het aantonen van lage aantallen en brengt de aaltjes op soort. 

Het meest voorkomende aaltje in de glastuinbouw is het wortelknobbelaaltje Meloidogyne spp. Dit aaltje veroorzaakt zowel in de groente- als in de sierteelt problemen (o.a. roos, chrysant en lisianthus). Het aaltje vermenigvuldigt zich bijzonder snel en is het meest schadelijke aaltje in kassen. Daarnaast komen ook wortellesieaaltjes (Pratylenchus spp.) en diverse vrijlevende wortelaaltjes voor. Sommige vrijlevende wortelaaltjes, zoals trichodoriden,  Longidorus spp. en Xiphinema spp., kunnen ook schadelijke virussen overdragen. Tot slot veroorzaken bladaaltjes, cystenaaltjes, wortelnecroseaaltjes en stengelaaltjes schade in de tuinbouw.

Het tijdig signaleren van een aaltjespopulatie en weten om welk aaltje het gaat maakt het mogelijk om de juiste beheersmaatregelen te nemen. Eurofins Agro kan aaltjes in zowel grond als substraat analyseren met de microscoop of via DNA-analyse. Ook kan plantmateriaal worden ingestuurd of kan  drainwater (100 liter per analyse) worden gezeefd om te kijken naar de aanwezigheid van schadelijke aaltjes. Er kan naar alle aaltjes worden gekeken of specifiek naar een bepaalde groep of soort aaltjes die schadelijk zijn voor een teelt.

Twee analysemethoden

Er zijn twee manieren methoden om te bepalen welke aaltjes aanwezig zijn in een grondmonster.

  • De microscopische bepaling. Deze bepaling wordt altijd in duplo uitgevoerd, dat wil zeggen dat twee medewerkers door de microscoop twintig procent van de suspensie bekijken en  de schadelijke aaltjes tellen. Van elke groep aaltjes worden circa twintig random volwassen aaltjes gevist en vervolgens onder een andere microscoop op soort gedetermineerd. Om alle aaltjes op soort te kunnen brengen is specialistische kennis nodig en de medewerkers hebben daarvoor een opleiding van meerdere jaren gevolgd. 
  • De qPCR-methode. Bij deze methode wordt in het lab het DNA van een specifiek aaltje gedupliceerd en de vermeerdering van het DNA gemeten. Aan de hand van ijklijnen wordt vervolgens het aantal aaltjes bepaald. Met deze methode  kan één aaltje, het aaltje waar specifiek naar wordt gezocht, in een mengsel van 10.000 andere onbekende aaltjes worden gevonden.

De DNA-methode is dus erg gevoelig voor lage aantallen. Bovendien lukt bij microscopisch onderzoek  een determinatie lang niet altijd. Met de DNA-methode worden daarnaast mengpopulaties veel beter in kaart gebracht doordat altijd naar honderd procentvan de suspensie wordt gekeken en alle aaltjes op soort worden gebracht.

In sommige gevallen is het zinvol om organisch materiaal tijdelijk weg te zetten (twee weken) om eitjes en larven uit te laten komen, voordat er verder onderzoek wordt uitgevoerd. Deze zogenaamde incubatie verhoogt de betrouwbaarheid van een aaltjesonderzoek.

Meer weten? Neem contact op met horti@eurofins.com 

bestel.jpg

 

Trefwoorden: