Penskarakter snijmais toont verandering in de kuil

PrintPrint  Stuur doorStuur door
Penskarakter mais
Samenvatting: 
  • Snijmaiskuilen met veel bestendig zetmeel verliezen in relatief korte tijd ook veel van deze bestendigheid.
  • Penskarakter snijmais toont de verandering van de kuil.
  • Het aandeel mais in het rantsoen bepaalt het ruwvoermanagement.

Penskarakter snijmais toont verandering in de kuil

Snijmaiskuilen met veel bestendig zetmeel verliezen in relatief korte tijd ook veel van deze bestendigheid. Dat blijkt uit onderzoek van Eurofins Agro dat de basis vormt voor Penskarakter snijmaïs dat vanaf dit jaar te vinden is op de analyseverslagen.

Snijmais is een van de meest favoriete voedergewassen in de melkveehouderij. De teelt en de opslag zijn relatief gemakkelijk te managen en de voederwaarde is altijd goed. Of toch niet? De snijmaiskwaliteit is gedurende de opslag namelijk niet constant. Ingekuilde mais wordt na verloop van tijd steeds sneller verteerbaar.

Nieuwe meettechnieken

Nieuwe technieken in het meten van verteringsnelheden hebben het mogelijk gemaakt om verder onderzoek te doen naar het verloop van de snijmaiskwaliteit gedurende de opslag. In 2015 heeft Eurofins Agro een praktijkonderzoek uitgevoerd op 54 melkveebedrijven. De resultaten en praktische inzichten daarvan zijn verwerkt in Penskarakter snijmais.

Hogere verteringssnelheid

Hoe zit het dan het verlies aan bestendig zetmeel? Het aandeel bestendig zetmeel daalt met name in de eerste 3 maanden na het inkuilen. Na één jaar hebben alle kuilen nog 20% bestendig zetmeel over. Dat betekent dat een kuil met hoog bestendig zetmeelpercentage relatief sterker daalt in bestendigheid, dan een maiskuil met een laag bestendig zetmeelpercentage. De afname van de bestendigheid zorgt voor een hogere verteringsnelheid naarmate de maiskuil langer in opslag zit. 

Totale voederwaarde verandert

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat niet alleen de verteringssnelheid, maar ook de totale voederwaarde verandert gedurende de opslagperiode. Zo daalt het totale zetmeelgehalte over een jaar gemiddeld zo’n 20 gram per kg droge stof. De variatie hierin is echter groot: van 0 tot bijna 100 gram zetmeeldaling per kg droge stof.

Oorzaak: bacterieactiviteit

Zowel de daling van het zetmeelgehalte als de bestendigheid van het zetmeel wordt veroorzaakt doordat, door bacterieactiviteit tijdens het fermentatieproces, de beschermlaag (proline) rondom de maiskorrels wordt afgebroken. Met de nieuwe methode van Eurofins Agro is het mogelijk om deze eiwitafbraak te meten. Daarmee wordt duidelijk of er veel of weinig verliezen verwacht worden in de komende periode. Zo krijgt u meer inzicht in de kwaliteit van de maiskuil tijdens de opslag en kunt u tijdig bijsturen op het rantsoen om de melkproductie te waarborgen.

Afname van bestendig zetmeel in een kuil met goede bestendigheid en lage bestendigheid

Afbeelding 1: de afname van bestendig zetmeel in een kuil met goede bestendigheid van 31% en een lage bestendigheid van 26%.

Invloed op de melkproductie

De bestendigheid van het zetmeel heeft een duidelijke invloed op de melkproductie. Hoe meer bestendig zetmeel wordt gevoerd, des te hoger de productie. Het effect is echter het sterkst bij een laag aandeel snijmais (<50% ) in het rantsoen. Wanneer veel mais wordt gevoerd, is het totale aanbod van bestendig zetmeel meestal voldoende voor een hoge productie. Dan maakt de bestendigheid van de kuil niet zoveel meer uit. De bestendigheid kan in dat geval zelfs te hoog zijn: wordt er meer dan 1400 g bestendig zetmeel (BZET) per koe per dag gevoerd, dan  zal het zetmeel in de darm minder effectief opgenomen worden. Overtollige zetmeel word zelfs uitgescheiden. 

Het totale energiegehalte in de mais, uitgedrukt in VEM, heeft niet zozeer invloed op de totale melkproductie, maar wel duidelijk op het eiwitgehalte in de melk. De korrelkneuzing is hierbij van belang. Hoe beter de korrel gekneusd wordt, des te hoger het VEM-gehalte van de maiskuil. Een onvoldoende gekneusde korrel kost melkeiwit.

Grip op de kwaliteit in de kuil

De invloed van de maiskwaliteit varieert dus naar gelang de hoeveelheid die gevoerd wordt. Voor een goed rendement van de maisteelt is het van belang de juiste combinatie van maatregelen te nemen. In grote lijnen geldt het volgende:

  • Bij een aandeel van <50% snijmais per kg droge stof in het rantsoen: kies voor een maximale afrijping en dus zoveel mogelijk bestendig zetmeel in gram per kg DS mais.
  • Bij >50% snijmais per kg droge stof is een optimale afrijping van 35% droge stof en een grovere haksellengte wenselijk, omdat daarmee de stabiliteit van de maiskuil vergroot wordt en een optimalere verteringsnelheid word gecreëerd. 

Penskarakter op het verslag

De combinatie van het aandeel bestendig zetmeel en de energie (VEM) van de maiskuil, zijn verwerkt in Penskarakter snijmais. Samen geven ze immers een indicatie hoe goed de koe met de kuil vooruit kan. Hoe leest u Penskarakter?

  • Het groene deel linksboven is het optimum voor de koe: veel energie (VEM) en een hoog bestendig zetmeelpercentage in de maiskuil. Snel verteerbare kuilen met weinig VEM zijn minder wenselijk (rood gedeelte).
  • De gele driehoek geeft de kwaliteit weer op het moment van monstername.
  • Het blauwe rondje verteld hoe deze mais is veranderd na 6 maanden.
  • In de tabel staan in het kort de kenmerken van de kuil weergegeven en hoe u het rantsoen kunt bijsturen. Met deze informatie kunt u het totale rantsoen beter afstemmen op de kwaliteit van de gevoerde maiskuil.