AM-onderzoek

Vinger aan de pols met intensief AM-onderzoek

Intensief onderzoek op aardappelmoeheid (AM) biedt houvast bij de beheersing van AM. Indien nodig kunt u in een vroeg stadium gerichte maatregelen nemen. Daarmee heeft u de meeste kans om een officiële besmetverklaring te voorkomen.

Een AM-vrijverklaring is een vereiste voor de pootaardappelteelt. Voor die verklaring is officieel onderzoek nodig met een monstergrootte van 500 ml per 1/3 hectare. Als nog nooit aardappelmoeheid in het betreffende perceel is gevonden, is 200 ml per 1/3 ha of 600 ml per ha toegestaan. Deze extensieve bemonstering is absoluut ongeschikt om aardappelmoeheid op het pootaardappelbedrijf te beheersen.
AMI is een intensief onderzoek op AM. Dit onderzoek van BLGG AgroXpertus geeft een goed beeld van de besmettingssituatie op een bedrijf. Het beste moment om dit onderzoek te laten uitvoeren, is meteen na de aardappelteelt, nog voordat u de grond lostrekt.

AMI in drie vormen
Intensief onderzoek is er in drie vormen: AMI 100, AMI 150 en AMI 225. De meest toegepaste vorm is AMI 100, met 11 monsters van 11 stroken of blokken per hectare. De vindkans van een beginnende haard is dan 93 procent. Bij AMI 150 worden 8,3 monsters per hectare genomen en is de vindkans 87 procent. Bij AMI 225 prikt de monsternemer 5,6 monsters per hectare en dat geeft 76 procent kans om een beginnende haard te vinden.
Dit onderzoek kunt u combineren met indicatief onderzoek op bietencystenaaltjes.

Beginnende haard vinden
Nieuwe besmettingen van AM beginnen als een  kleine haard. De kans om zo’n beginnende haard te vinden met AMI is groot; 93 procent bij AMI 100. De monsternemer loopt over het veld en neemt bij AMI 100 11 monsters per hectare. Als in een monster een besmetting wordt gevonden, volgt een betrouwbare soortbepaling door DNA-onderzoek. Is het Globodera pallida, Globodera rostochiensis, of beide? In de stroken waar de besmetting zit, kunt u dan bijvoorbeeld een aardappelras met de juiste resistentie telen. Dat is de beste manier om te voorkomen dat de besmetting verder uitbreidt.
De kans om een beginnende haard met een extensieve bemonstering te vinden, klein. Bij bemonstering per hectare is de kans maar 1 procent, bij bemonstering per 1/3 hectare is dat 5 procent. Dat betekent dat het een toevalstreffer is als met een extensieve bemonstering een haard wordt aangetoond. Sterker nog, de kans is groot dat de besmetting op het perceel al flink is opgebouwd wanneer de haard via een extensieve bemonstering aan het licht komt. Dat risico kunt u beter niet nemen.

De vindkans
De kans dat met een grondmonster een haard wordt gevonden, hangt af van:
- Omvang van de haard en aantal cysten per kilo grond in het centrum van de haard
- Raster van monstername
- Hoeveelheid grond die per prik wordt meegenomen
- Tijdstip van monstername na de teelt
Hoe groter de haard en hoe meer prikken per hectare, hoe gemakkelijker de haard wordt gevonden. De kans om cysten te vinden is ook groter als u meteen na de oogst, in de zeefgrond, een grondmonster laat nemen. Na een grondbewerking zijn de cysten verdeeld over de bouwvoor en zijn ze moeilijker aan te tonen.
Bij AMI wilt u een grote vindkans. Want dan kunt u snel gerichte maatregelen nemen als een besmetting is gevonden. Met de juiste maatregelen kunt u die besmetting onder controle houden. Daarmee blijft de pakkans in de extensieve officiële bemonstering zo klein mogelijk.

Preventieve maatregelen
Een goede bedrijfshygiëne is belangrijk om de kans op besmetting van buitenaf zo klein mogelijk te maken en verspreiding binnen het bedrijf te voorkomen. Besmetting met AM kan plaatsvinden door aanvoer van cysten via grond. Zeef- en sorteergrond is risicovol materiaal. Datzelfde geldt voor gebruikte (vuile) kisten. AM kan ook op het bedrijf komen via aanhangende grond bij machines, trekkers, plantgoed en zelfs laarzen. Kies zo mogelijk rassen met de juiste resistentie en gebruik vanggewassen.