Meloidogyne Intensief

Nieuw: voor alle soorten Meloidogyne intensieve bemonstering

Eurofins Agro​ breidt het productenpakket voor aaltjesonderzoek uit. Het is nu mogelijk om intensieve bemonstering (Meloidogyne intensief) te laten uitvoeren voor álle soorten wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne) die in de Nederlandse vollegrond voorkomen.

Het gaat daarbij om de soorten Meloidogyne chitwoodi, fallax, hapla, minor en naasi. De pakkans is door de intensieve bemonstering hoog: 90 procent. Bovendien kan Eurofins Agro, in tegenstelling tot andere laboratoria, ook nog na 15 november bemonsteren met dezelfde hoge pakkans. Dit heeft te maken met de betrouwbaarheid van het onderzoek. Eurofins Agro maakt gebruik van DNA-techniek. Als er geen gewas meer groeit, nemen de aantallen wortelknobbelaaltjes in een perceel snel af. Eurofins Agro kan ook deze lage aantallen betrouwbaar meten. Met Meloidogyne intensief worden 3 monsters per hectare genomen van een groot volume (tot op bouwvoordiepte). In het laboratorium worden de monsters vervolgens volledig ‘opgespoeld’ en met DNA geanalyseerd.

Besmetverklaring voorkomen
“Het belangrijkste doel van Meloidogyne intensief is om een besmetverklaring te voorkomen”, legt Natasja Poot uit. Zij is productmanager Bodemgezondheid bij Eurofins Agro. “De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit adviseert om vrijwillig aaltjesonderzoek te doen om zo’n besmetverklaring te voorkomen. Om problemen met wortelknobbelaaltjes voor te zijn kan het beste op schone percelen worden geteeld.” Deze voorzorgsmaatregel is geen overbodige luxe, benadrukt Natasja Poot: “De schadedrempel van Meloidogyne chtiwoodi en Meloidogyne fallax is erg laag. Bij een vondst van 1 wordt de teelt van pootgoed al afgeraden. Het is dus zaak om een beginbesmetting op te sporen voor het te laat is.”

Veel waardplanten
De Meloidogynesoorten chitwoodi, fallax en hapla kunnen bij veel vollegrondsgroenten, akkerbouw- en bolgewassen voor grote problemen zorgen. In de teelt van vaste planten worden de problemen vooral veroorzaakt door hapla. Mede door het grote aantal planten waarop deze soorten kunnen leven (waardplanten) is het moeilijk de aaltjes te beheersen. Meloidogyne minor komt incidenteel voor en kan zich onder andere goed vermeerderen op aardappels. Meloidogyne naasi veroorzaakt bij hogere aantallen schade bij grassen, zomertarwe, uien en suikerbieten.

Bedreiging voor de export
Wortelknobbelaaltjes zijn een bedreiging voor de export. Dit heeft onder andere voor de teelt van pootaardappelen en bloembollen grote consequenties. Volgens een richtlijn van de Europese Unie (2000/29/EG) moet materiaal voor voortkweking vrij zijn van de quarantaineorganismen Meloidogyne chitwoodi en Meloidogyne fallax. Om dit te garanderen moet dergelijk materiaal afkomstig zijn uit ‘Meloidogyne vrije gebieden’ of onderzocht zijn en daarbij als ‘niet besmet’ beoordeeld zijn. Voor akkerbouwers en telers betekent een besmetting opbrengstderving en kwaliteitsverlies.

Meer informatie: