Ruwe celstof

Een plantencel bestaat uit een celinhoud en een celwand. De celinhoud bevat stoffen zoals zetmeel, suikers en eiwitten welke van belang zijn voor de melkproductie. De celwand bestaat uit structurele koolhydraten; ze geven structuur en stevigheid aan de plant. De belangrijkste celwandbestanddelen zijn: cellulose, hemicellulose, pectine en lignine.

Het ruwe celstof-gehalte geeft een indicatie van de hoeveelheid celwanden in het voedermiddel. De fractie wordt bepaald middels de Weender-analyse en is het niet in zuur en niet in base oplosbare restant van een voedermiddel, vrij van vet, stikstof en ruw as. De ruwe celstof-fractie bevat echter met name cellulose en slechts een (wisselend) deel van de hemicellulose en lignine. Het ruwe celstof-gehalte is binnen de Weender-analyse daarnaast het moeilijkst te bepalen bestanddeel. Om deze redenen is de ruwe celstof-fractie als indicatie voor het aantal celwanden inmiddels achterhaald door ADF, ADL en NDF (bepaald volgende de Van Soest-methode).

Ruwe celstof wordt echter nog wel als parameter gebruikt in een aantal belangrijke voederwaarde-formules zoals:

  • Structuurwaarde
    Hoe hoger het ruwe celstof-gehalte, hoe hoger de structuurwaarde van een voedermiddel. Een voldoende hoge structuurwaarde is essentieel voor een goede penswerking en voorkomt pensverzuring.
  • Verzadigingswaarde
    De verzadigingswaarde wordt hoger naarmate het ruwe celstof-gehalte in een voedermiddel of rantsoen toeneemt.
  • VEM-berekening
    Aangezien de ruwe celstof-fractie ook een bepaalde bijdrage levert aan de hoeveelheid energie, wordt deze fractie meegenomen in de VEM-berekening.

Ruwvoeders bevatten van alle voedermiddelen de hoogste gehaltes aan ruwe celstof: graskuil van ongeveer 21-28%, snijmaiskuil van 18-23%, hooi van 30-35% en stro tot wel meer dan 40%. Naar mate een gewas langer op het land staat zal het een relatief hoger ruwe celstof-gehalte bevatten en daarmee ook een hogere structuurwaarde en een hogere verzadigingswaarde hebben. Intensieve bemesting leidt daarentegen meestal tot een lager ruwe celstof-gehalte.

Dégen, 2010