Zwavel

Zwavel bij dieren

Zwavel (S) heeft een belangrijke rol bij de eiwitproductie, zowel in dieren als in planten, omdat het een bestanddeel is van de zwavelhoudende aminozuren (methionine en cysteine). Bij herkauwers is het dan ook van essentieel belang bij de productie van microbieel eiwit. Daarnaast is zwavel onder meer een onderdeel van de B-vitaminen thiamine en biotine en van het hormoon insuline.

  Behoefte aan Zwavel (CVB, 2005)
Categorie g/kgds g/dier/dag
Jongvee vanaf 4 maanden 1,5 5,9
Jongvee vanaf 9 maanden 1,5 8,4
Jongvee vanaf 16 maanden 1,5 11,0
Droog 1,5 16,5
Melkgevend (15 kg) 1,6 27,2
Melkgevend (30 kg) 2,0 42,0

Zwaveltekort
Een zwaveltekort geeft aspecifiek symptomen zoal een verminderde voeropname en productie als gevolg van verminderde microbiële activiteit in de pens. Andere symptomen die kunnen worden waargenomen zijn een dof haarkleed, ‘speekselen’ en vochtige ogen.

Zwaveloverschot
Een zwaveloverschot kan relatief gemakkelijk ontstaan; bij 3-4 g/kgds kunnen al verschijnselen optreden. Het CVB (2005) geeft een toxische grens aan voor zwavel van 4 g/kgds (bij chronisch hoge gehalten). Een acute overmaat aan zwavel (in de vorm van sulfiet) beïnvloedt het zenuwstelsel en leidt tot darmontstekingen, blindheid, spiertrekkingen, diarree en uitdroging, long- en nierschade en bloedingen. In de vorm van sulfaat zijn de symptomen minder ernstig en ontstaat met name osmotische diarree. Wanneer het sulfaatoverschot chronisch is, kan daarnaast een kopertekort ontstaan.

Zwavel in bodem en gewas

Zwavel is een essentieel onderdeel van de eiwitvorming en als zodanig van belang voor de groei van het gras. Bij voldoende zwavel is de stikstofbenutting beter en worden er lagere nitraatgehaltes gevonden. Het is een hoofdelement en als zodanig ook in grotere hoeveelheden nodig voor goede groei van het gras. Zwaveltekort leidt net als stikstof tot lagere drogestofopbrengsten. Tekorten treden vooral in de eerste sneden van het seizoen op.
De zwavelaanvoer is de laatste 10 jaar flink afgenomen door lagere uitstoot van zwavel door de industrie en weinig gebruik van zwavelhoudende meststoffen. Zwavelaanvoer vindt nu voornamelijk plaats door mineralisatie van organische stof. De overige kleinere aanvoer-posten zijn depositie (neerslag vanuit de lucht), capillaire opstijging vanuit de bodem en dierlijke mest en als afvoerpost uitspoeling.
De belangrijkste aanvoerpost ‘mineralisatie’ is te bepalen door een S-totaal-bepaling te laten uitvoeren via de BemestingsWijzer van BLGG AgroXpertus. Met S-totaal wordt bepaald hoeveel zwavel in de eerste 3 sneden beschikbaar komt, genaamd SLV (zwavel leverend vermogen, te vergelijken qua opzet met NLV). Is de SLV met daarnaast de kleinere aan- en afvoerposten lager dan de behoefte van het gras, dan is er een aanvulling via bemesting nodig. De benodigde hoeveelheid wordt over de eerste 2 sneden geadviseerd. Voor de rest van het seizoen zijn er dan geen tekorten meer te verwachten.

Een product met een hoog zwavelgehalte, is aardappelpersvezel (>10 g/kgds). Snijmaïs, CCM en bietenperspulp bevatten een laag gehalte, terwijl gras en graskuil daar tussenin zitten (3-4 g/kgds).

Zwavelgehalte (g/kgds); BLGG AgroXpertus 2009-2013
  Vers gras Graskuil Maissilage Luzerne
Gemiddelde 3,5 3,1 1,0 1,7
Streef-traject - 2,0-3,5 1,1-1,6 -