8 tips voor de bemesting dit seizoen

PrintPrint  Stuur doorStuur door
Bemest niet op elk perceel even veel, houd rekening met verschillen. |beeld Bogballe
Samenvatting: 
  • Het is verstandig om weloverwogen keuzes te maken in het mestplan.
  • Bemest niet op elk perceel even veel, houd rekening met verschillen.
  • Beperk de basisbemesting tot maximaal 70% van de totale hoeveelheid mest.

8 tips voor de bemesting dit seizoen

Het mestseizoen 2017 is weer begonnen. Welke lessen kunt u trekken uit het afgelopen seizoen op het gebied van bemesting? Vaak verandert er pas echt iets als u even stilstaat en weloverwogen keuzes maakt voor het nieuwe seizoen. Verbetering zit immers in de details. Wij denken graag met u mee.

Bemesting is een van de belangrijkste aspecten waarmee u de opbrengst en kwaliteit van gewassen kunt beïnvloeden. Binnen de gegeven omstandigheden van onder andere wetgeving, zijn er enorme verschillen tussen bedrijven en ook binnen bedrijven. Waarom doet het ene perceel het structureel beter? Waardoor ontstaan de verschillen binnen het perceel? 8 aandachtspunten voor u op een rij:

1.    De verdeling van mest; bemest gericht!

Een belangrijk aspect is de verdeling van mest. Wij adviseren om niet overal hetzelfde te doen, maar om gericht te bemesten. Bemest op basis van de kennis die u heeft uit de analyseverslagen. Daarvoor is het wel belangrijk dat u beschikt over de juiste cijfers, met niet alleen de gegevens die volgens de wetgeving verplicht zijn, maar juist met gegevens die u als ondernemer verder helpen. U kunt hier bemonstering aanvragen.

Percelen met een hoge CEC (bodemvruchtbaarheid, klei-humuscomplex) leveren de hoogste opbrengst. Het kan heel slim zijn om juist de ‘goede’ percelen, met een hoge CEC, meer mest te geven. Deze percelen kunnen het meeste doen met de mest. Het is efficiënt om hoogproductieve percelen meer mest te geven, zodat de onttrekking op een goede manier gecompenseerd wordt. Juist investeren in slechte plekken kan ook een keuze zijn om de verschillen ‘gelijk te trekken’ en verliezen als gevolg van slechtere omstandigheden te voorkomen. 

2.  Beperk basisbemesting tot 70%

Geef met de basisbemesting niet meer dan 70% van de totale hoeveelheid mest. Tijdens de teelt is het mogelijk om bij te sturen indien noodzakelijk. Mogelijk is de mineralisatie van bijvoorbeeld stikstof en zwavel hoog genoeg om het gewas van voldoende nutriënten te kunnen voorzien. Inzicht in het verloop van de mineralisatie, maar ook de beschikbaarheid van andere nutriënten zoals magnesium en borium, helpen u als teler om de bemesting verder te optimaliseren. Net voor het bijmesten kan het slim zijn om eerst een analyse van de grond (of het gewas) te nemen, voordat u met de kunstmeststrooier of spuitmachine op pad gaat. Via het bijmestonderzoek krijgt u inzicht in de aanwezige nutriënten in de grond en de toestand van het gewas en daarmee krijgt u antwoord op de vraag hoeveel er nog bij moet om tot een succesvolle teelt te komen.

3.    Houd rekening met structurele opbrengstverschillen

Gebruikt u al de online applicatie ‘Mijn Percelen’ van Eurofins Agro? Daarin staan alle bemestingsonderzoeken sinds 1996 per perceel en sinds kort vindt u hierin ook BodemScout. U kunt hierin zien welke structurele verschillen er zijn op basis van satellietbeelden. Het is eenvoudig om twee verschillende monsters aan te vragen in BodemScout om het goede en slechte gedeelte binnen een perceel te kunnen vergelijken. Zo kunt u gericht maatregelen nemen op basis van cijfers.

4.    Breng de pH op orde!

Een goede pH is van essentieel belang voor een goede benutting van nutriënten. Bemesten wordt zeer onrendabel als de pH niet op orde is. De pH op orde brengen is helemaal niet zo ingewikkeld: gewoon regelmatig bekalken.

5.    Voorkom verdichting in de bodem

Verdichting is een steeds groter probleem op Nederlandse percelen. Wellicht is het verstandig om op natte percelen eerst te beginnen met kunstmest, zodat u de bodem niet onnodig belast (kunstmeststrooier is lichter). U voorkomt daarmee dat u opbrengst mist, tegelijkertijd voorkomt u spoorvorming en verdichting. Bodemverdichting kan tot flinke opbrengstvermindering leiden en het is lastig om bodemverdichting (op korte termijn) op te heffen.

6. Beregen met beleid

Teveel neerslag in één keer, waardoor kostbare nutriënten uitspoelen, is niet te beïnvloeden. Teveel beregenen echter wel. Beregenen is precisiewerk. Met de beperktere bemestingsnormen is het de kunst op het juiste moment de juiste hoeveelheid water te geven. De pF-curve op het bemestingsverslag laat duidelijk zien wat de maximaal te beregenen hoeveelheid water is voor een perceel, gebaseerd op de fysische bodemeigenschappen klei, silt en zand (textuurkengetallen) en organische stof. Hiermee voorkomt u (eventueel in combinatie met het gebruik van een vochtsensor) dat er teveel in één keer beregend wordt en nutriënten uitspoelen.

7.    Opbrengstpotentie en CEC

Het is verleidelijk om de bemesting alleen per seizoen te bekijken. Zoals hierboven genoemd is bodemvruchtbaarheid het meest bepalende aspect voor de opbrengst. Een goede CEC (klei-humuscomplex) geeft de hoogste opbrengst, daar kunt u niet tegenop bemesten. Tegelijkertijd kunt u wel werken aan een hogere CEC en ook een betere ‘vulling’ van de CEC met nutriënten. Uit eerder onderzoek van Eurofins Agro blijkt dat in 40% van de percelen de bindingscapaciteit niet goed benut wordt. Daar is dus winst te behalen! Door te bekalken vergroot je de effectieve CEC. Bij bekalken is het wel nodig om goed naar de pH te kijken.

Als de pH lager is dan 7, dan zijn kalkproducten op basis van calciumcarbonaat geschikt (met name op zand-, dal- en lössgronden). Is de pH hoger dan 7? Dan is het beter om niet te bekalken, maar om gips te gebruiken. 

8.    Weet wat er in mest zit

De ene mest is de andere niet. Uitgaan van gemiddelde gehalten van de mest is onverstandig. Oorzaken van de verschillen zijn de verschillen in rantsoen, de hoeveelheid spoelwater, de minerale samenstelling van diervoeders en de samenstelling van de veestapel. Hoeveel stikstof, fosfaat en kali bevat een kuub drijfmest? En bevat dierlijke mest voldoende organische stof om het gehalte in de bodem op peil te houden? Mestanalyse geeft antwoord op deze vragen voor zowel vaste- als drijfmest.