Boterzuurattentie? Zo pakt u het aan

PrintPrint  Stuur doorStuur door
Verhoogd boterzuur in de melk kan voorkomen als de kuil niet homogeen is.
Samenvatting: 

Bij de zoektocht naar de bron of bij risicovolle kuilen (< 30% DS) kunt u het beste onderzoek laten doen naar de aanwezigheid van anaerobe sporen, niet het zuurgehalte.

Boterzuurattentie? Zo pakt u het aan

Het bijzondere groeiseizoen van 2018 heeft geleid tot meer boterzuurklachten. Vooral de ‘hergroei’ kuilen na de droogte zijn een bron voor problemen. Met de juiste maatregelen kunt u  de besmetting bij de bron aanpakken en de boterzuurattentie voorkomen.  

De extreem hoge ruw-eiwitgehaltes in combinatie met hoge celwand-gehaltes zaten een goede conservering vaak in de weg. Dit leidde tot veel kuilen met een hoge NH3-fractie (>12) en een hoog boterzuurgehalte (>3,0). Dit is een  indicatie voor een hoog risico op boterzuursporen. Echter kan het gebeuren dat de gemiddelde NH3-fractie of boterzuurgehalte wel goed is, maar er toch sprake is van verhoogd boterzuur in de melk.

Breng de bron in kaart

Verhoogd boterzuur in de melk kan voorkomen als de kuil niet homogeen is, bijvoorbeeld als er een droge en natte partij over elkaar heen zijn gekuild of als de kuil niet homogeen verdeeld is (natte plukken). Broei kan ook een afwijkend beeld geven; dan is het gehalte boterzuur of ammoniak gemiddeld laag, maar kunnen er pleksgewijs wel veel sporen voorkomen.

Een andere risicovolle bron is bijvoorbeeld een droge kuil met een veel ruw as. Door gebrek aan vocht kunnen veel boterzuurbacteriën weinig zuur vormen, maar het probleem is nog wel aanwezig in het voer. Het probleem in de melk is namelijk niet het zuur dat door deze bacteriën geproduceerd wordt (hoewel het allesbehalve smakelijk is), maar de sporen (kiemen) van de bacterie zelf.

Focus op de sporen, niet het zuur!

De boterzuursporen kunnen op de spenen terecht komen via grond of mest. De besmetting via kuilvoer is dus indirect. Door het voeren van besmet kuilvoer komen de sporen in de mest terecht. In de stal komt deze mest mogelijk in contact met de spenen en komt het zo via het melken in de melk. Hygiënisch werken in de stal is daarom ook van cruciaal belang. Echter blijkt in 80% van de gevallen wel dat het ruwvoer de belangrijkste bron van de problemen is.

Kortom, bij de zoektocht naar de bron of bij risicovolle kuilen (< 30% DS) kunt u dus het beste onderzoek laten doen naar de aanwezigheid van anaerobe sporen, niet het zuurgehalte. Eurofins Agro biedt dit onderzoek aan voor 30 euro en kan dit indien gewenst ook aanvullend bij een regulier kuilonderzoek uitvoeren. De kuilanalyse weergeeft dan de gemeten concentratie met de streefwaarde <10.000 kve.

Hoe voorkomt u een besmetting?

  • Streef naar een percentage droge stof tussen de 35 en 50%
  • Laat de kuil altijd hakselen bij minder gunstige omstandigheden
  • Gebruik bij natte omstandigheden een inkuilmiddel
  • Voorkom broei
  • Laat de veldperiode niet te lang worden
  • Stel machines goed af, zodat er zo min mogelijk grond (ruw as) in de kuil komt

Wat kunt u doen bij een besmette kuil?

  • Probeer zo min mogelijk aan het melkvee te voeren
  • Houd het rantsoenaandeel van de kuil laag als u het wel aan uw melkvee voert
  • Werk extra hygiënisch in de stal (voorbehandeling, boxen schoonmaken, etc.)
  • Werk extra netjes aan het kuilsnijvlak
  • Voer geen rotte of schimmelende plekken

Bang dat uw kuil ook een bron is voor een verhoogd boterzuurgehalte in de melk? Laat uw kuil dan onderzoeken op anaerobe sporen, dit geeft inzicht in de aanwezigheid van boterzuursporen. Dan kunt u de besmetting bij de bron aanpakken en de boterzuurattentie voorkomen.

bestel.jpg