Calcium

Calcium bij dieren
In het lichaam wordt meer dan 95% van het calcium (Ca) aangetroffen in de botten. Het calcium in de botten, maar ook in de melk, komt voor in de vorm van calciumfosfaat (Ca3(PO4)2). Voor botvorming en de productie van melk is dus zowel calcium als fosfor (P) nodig. De verhouding tussen calcium en fosfor in het rantsoen is dan ook van groot belang, hoewel in de laatste jaren de nadruk meer is gaan liggen op het optimaliseren/minimaliseren van fosfor in het rantsoen.

Hoogproductieve melkkoeien hebben voor de melkproductie een grote hoeveelheid calcium nodig. De botten vormen de grootste buffer. Vitamine D reguleert met behulp van hormonen de absorptie en resorptie van calcium van en naar de botten. Naarmate het dier ouder wordt, wordt het lastiger om calcium uit de botten te mobiliseren, waarmee ook de kans op melkziekte groter wordt.

Daarnaast is calcium verantwoordelijk voor de overdracht van zenuwprikkels (en daarmee spiercontracties), de productie van hormonen, de bloedstolling, pH-regulatie van het bloed, de vruchtbaarheid en de regulatie van membraanactiviteiten.

  Behoefte aan Calcium (CVB, 2005)
Categorie g/kgds g/dier/dag
Jongvee vanaf 4 maanden 4,5 22
Jongvee vanaf 9 maanden 4,0 20
Jongvee vanaf 16 maanden 3,5 21
Droog 2,0 28
Melkgevend (15 kg) 4,0 56
Melkgevend (30 kg) 5,0 92

Calciumtekort
Een calciumtekort kan in een structureel geval tot botontkalking en pootproblemen leiden. Daarnaast vergroot het de kans op melkziekte en kunnen spierkrampen optreden. Een hoog magnesiumgehalte verlaagt, via onderlinge concurrentie, de calciumabsorptie en kan daarmee een indirect calciumtekort veroorzaken. In de voeding van droge koeien worden hogere magnesium niveau’s gebruikt om de calcium absorptie te stimuleren.

Calciumoverschot
Een calciumoverschot komt nauwelijks voor, omdat het lichaam diverse mechanismen tot zijn beschikking heeft om een overschot aan calcium uit te scheiden. Een tijdelijk te hoog calciumniveau heeft geen gevolgen. Een langdurig verhoogd calciumaanbod via het voer kan nierproblemen veroorzaken en kan leiden tot verkalking van zachte weefsels zoals nieren, lever en vaatwanden. Het CVB (2005) geeft een toxische grens aan van 15 g/kgds (voor chronisch hoge gehalten).

Calcium in bodem en gewas

Calcium is een onmisbaar mineraal voor planten. Het zorgt voor stevigheid van de celwanden en bevordert de kwaliteit van het gewas. Onder andere voor aardappels, asperges, appels, sla en uien is het belang aangetoond. Daarnaast zorgt calcium voor een goede bodemstructuur en een lagere slempgevoeligheid van de grond. Niet ieder gewas heeft evenveel behoefte aan calcium. Graan verbruikt ongeveer 5 kg calcium per hectare. Gewassen zoals mais, gras (eerste snede) en uien verbruiken 20 tot 50 kg per hectare. Kool, klaver, tomaat, appel en suikerbiet hebben meer dan 80 kg calcium per hectare nodig.

Ruwvoeders hoog in calcium zijn gras en graskuil, luzerne, bietenperspulp en rode klaver, terwijl snijmaïs, CCM, aardappelproducten en bierbostel relatief lage gehaltes bevatten.

Calciumgehalte (g/kgds); BLGG AgroXpertus 2009-2013
  Vers gras Graskuil Maissilage Luzerne
Gemiddelde 5,4 5,0 1,6 14,2
Streef-traject 4,5-6,5 4,5-6,5 1,3-2,2 12-18

Conclusie
Het lijkt erop dat de laatste jaren het calciumgehalte in gras wat gedaald is. Met name voorjaarsgras bevat nogal eens te weinig calcium met daarnaast veel fosfaat. Daarnaast is niet al het in de bodem aanwezige calcium beschikbaar, dit is onder meer afhankelijk van de zuurgraad van de bodem. Voor bemesting moet rekening gehouden worden met specifieke eigenschappen van gewassen, zoals de Ca-behoefte, gevoeligheid voor kwaliteitsafname en het gewastype. Ook de aanwezigheid van stoffen die de opname van calcium bemoeilijken en de invloed op de bodemstructuur zijn belangrijk om mee te nemen in het bemestingsplan. BemestingsWijzer van BLGG AgroXpertus houdt rekening met de verschillende factoren en biedt de informatie die nodig is voor een uitgekiende bemesting.