Celwanden

Een plantencel bestaat uit een celinhoud en een celwand. De celinhoud bevat stoffen zoals zetmeel, suikers en eiwitten welke van belang zijn voor de melkproductie. De celwand bestaat uit structurele koolhydraten; ze geven structuur en stevigheid aan de plant. Een celwand is opgebouwd uit een middenlamel (bevat met name pectine), een primaire celwand (bevat met name cellulose en hemicellulose) en eventueel een secundaire celwand (bevat met name lignine (houtstof) en evt. cutine (kurkstof)). De lagen komen bij de verschillende gewassen in verschillende samenstellingen voor. De belangrijkste celwandbestanddelen zijn: cellulose, hemicellulose, pectine en lignine, samen ook wel uitgedrukt als NDF (Neutral Detergent Fiber).

Dierlijke cellen hebben overigens, in tegenstelling tot plantaardige cellen, alleen een celmembraan en bevatten dan ook geen structurele koolhydraten.

Om de volledige celinhoud te kunnen benutten, moet de celwand eerst door pensmicroben worden afgebroken. Bij deze afbraak worden vluchtige vetzuren (azijnzuur, propionzuur en boterzuur) gevormd die 60 tot 70 procent van de energie leveren die een melkkoe nodig heeft. Naast energie dragen de structurele koolhydraten ook bij aan een goede penswerking vanwege de structuurwaarde. De fermenteerbaarheid en afbraaksnelheid van de celwandbestanddelen is dus, naast het gehalte, een belangrijke parameter bij de bepaling van de nutritionele waarde van een voedermiddel. Omdat lignine vrijwel niet afbreekbaar is in de pens, kan het daarnaast de verteerbaarheid van de celinhoud en andere celwandbestanddelen belemmeren.

Ruwvoeders bevatten hoge gehaltes aan celwandbestanddelen: stro en hooi tot wel 60-70%, bierbostel, aardappelpersvezels, bietenperspulp en graskuil rond de 45-55% en maïskuil rond de 40%. Naar mate een gewas langer op het land staat, zal het meer ‘verhouten’ (hoger lignine%) en heeft het dus relatief een hoger celwand (en NDF-)gehalte, een hogere structuurwaarde en een hogere verzadigingswaarde. Intensieve bemesting leidt daarentegen meestal tot een lager celwandgehalte.

De bepaling van het gehalte aan celwandbestanddelen of structurele koolhydraten werd voorheen uitgedrukt in ruwe celstof, hetgeen echter geen goed beeld van de verteerbaarheid geeft. Tegenwoordig wordt de meer nauwkeurige Van Soest methode gebruikt. De Van Soest methode bestaat uit de volgende stappen:

  • Bepaling van het NDF-gehalte (Neutral Detergent Fiber) door middel van koken van een monster in een neutrale oplossing. Hierbij wordt de fractie hemicellulose + cellulose + lignine (+cutine) bepaald. Alle celwandbestanddelen (exclusief het goed afbreekbare pectine) worden hierbij dus meegenomen.
  • Bepaling van het ADF-gehalte (Acid Detergent Fiber) door het monster in een zwak-zure oplossing te brengen. Hierbij wordt de fractie cellulose + lignine bepaald.
  • Bepaling van het ADL-gehalte (Acid Detergent Lignin) door het monster in een zwavelzure oplossing te brengen. Hierbij wordt het lignine-gehalte bepaald.
  • Hemicellulose (relatief gemakkelijk fermenteerbaar) kan berekend worden als: NDF – ADF
  • Cellulose kan berekend worden als ADF – ADL. Het ruwe celstofgehalte komt het dichts hierbij in de buurt.


Dégen, 2010