Droge stof

De eerste laboratoriumbepaling die wordt uitgevoerd bij voedermonsters is de droge stof analyse. Bij binnenkomst wordt een vaste hoeveelheid monster ingewogen en daarna een nacht (>4 uur) gedroogd in een vacuümdroogstoof bij 70-80oC. Het gewicht dat over blijft is de droge stof (ds) van het monster. Bij deze methode is de temperatuur voldoende laag, zodat de aanwezige suikers niet verbranden.

Wanneer het monster een kleine hoeveelheid suikers bevat (<4-5%) dan kan de ‘normale’ droogmethode gebruikt: een vaste hoeveelheid monster wordt gedroogd in een droogstoof bij 103oC tot een constant gewicht (> 4 uur).

Het droge stof gehalte vormt de basis voor alle andere kengetallen en de voederwaardewaardering; deze worden namelijk per kilogram droge stof weergegeven. Op deze manier zijn ze gemakkelijk te vergelijken en onafhankelijk van het vochtgehalte.

Grondstoffen

Bij mengvoedergrondstoffen ligt het droge stof gehalte over het algemeen tussen de 85 en 99%; een mengvoer bevat rond de 88% droge stof. Een lager gehalte geeft een hogere kans op schimmels en beperkt de houdbaarheid van het voer. Wanneer het droge stof gehalte van grondstoffen te laag is, moet eerst worden gedroogd of een zuur worden toegevoegd.

Kuilvoer

Het droge stof gehalte is bepalend voor de kwaliteit van kuilvoer. Bij graskuil ligt het optimum tussen de 35 en 45%, bij snijmaïs is dit tussen de 34 en 38%, afhankelijk van overige factoren zoals wel/niet/kwaliteit van hakselen, verdichting, suikergehalte etc.

Enkele voorbeelden van droge stof gehalten in kuilvoer (CVB 2011):

Product Dry matter levels
Gras silage 30 - 50%
Mais silage 30 - 40%
Stro 83 - 86%
CCM silage 50 – 65%
Vers gras 15 – 17%
Aardappelvezels 14 – 16%
Bierbostel 22 – 26%

  • Te laag droge stof gehalte: meer kans op perssap- en conserveringsverliezen. Een toevoegmiddel is gewenst.
  • Te hoog droge stof gehalte: meer kans op broei bij uitkuilen, met name bij een lage voersnelheid. Een toevoegmiddel is gewenst.
  • Een droge stof gehalte van ongeveer 36% in snijmaïskuil geeft de maximale benutbare voederwaarde-opbrengst. Daarnaast zal zowel het zetmeelgehalte als de bestendigheid van het zetmeel hoger liggen. De smakelijkheid kan juist iets afnemen bij drogere snijmaiskuil, afhankelijk van het totale rantsoen.