Fosfor

Fosfor in dieren
In het lichaam wordt ongeveer 80% van de fosfor (P) aangetroffen in de botten. De fosfor in de botten, maar ook in de melk, komt voor in de vorm van calciumfosfaat (Ca3(PO4)2. Voor botvorming en de productie van melk is dus zowel fosfor als calcium (Ca) nodig, waarbij de verhouding tussen beide mineralen van belang is.

Hoogproductieve melkkoeien hebben voor de melkproductie grote hoeveelheden fosfor nodig. Een tekort kan dan ook gemakkelijk ontstaan. Vaak wordt de vuistregel gehanteerd dat 1 kg melk 1 gram fosfor bevat, zodat de extra behoefte geschat kan worden. Vitamine D reguleert met behulp van hormonen de absorptie en resorptie van calcium en fosfor van en naar de botten. Hoe ouder het dier wordt, hoe lastiger het wordt om calcium en fosfor uit de botten te mobiliseren, waarmee ook de kans op melkziekte groter wordt.

  Behoefte aan Fosfor (CVB, 2005)
Categorie g/kgds g/dier/dag
Jongvee vanaf 4 maanden 3,3 13
Jongvee vanaf 9 maanden 2,3 13
Jongvee vanaf 16 maanden 1,8 13
Droog 1,9 21
Melkgevend (15 kg) 2,3 39
Melkgevend (30 kg) 3,0 63

Fosfor is daarnaast belangrijk voor de penswerking, het is namelijk van belang voor de vorming van microbieel eiwit en de productie van enzymen. Het gehalte aan fosfor in het bloed is niet stabiel en varieert afhankelijk van de behoefte, de absorptie uit de darm en de resorptie uit het bot. Fosfor is ook een bestanddeel van de energieverbinding ATP en een onderdeel van fosfolipiden die een belangrijk onderdeel vormen van celmembranen en de huid. Daarnaast is fosfor te vinden in het genetisch materiaal (DNA) van het dier.

Fosfortekort
Een fosfortekort leidt tot een verminderde vruchtbaarheid, een verlaagde voeropname en melkproductie en botontkalking. Bij groeiende dieren kan dit leiden tot vervorming van het skelet en een slechte voerefficiëntie.

Fosforoverschot
Een fosforoverschot zal niet snel ontstaan, aangezien koeien een overschot aan geabsorbeerd fosfor kunnen uitscheiden via speeksel, urine en mest. Een extreem hoog fosforgehalte veroorzaakt mogelijk diarree. Daarnaast kan het tijdens de droogstand de absorptie van magnesium remmen en daarmee indirect de kans op melkziekte vergroten. Het CVB (2005) geeft een toxische grens aan voor fosfor van 10 g/kgds (bij chronisch hoge gehalten).

De laatste jaren is er veel aandacht voor de milieu effecten van fosfor. Dit heeft ertoe geleid dat in rantsoenen voor melkvee duidelijk lagere niveau’s P worden gehanteerd, zonder negatieve effecten.

Fosfor in bodem en gewas

Fosfaat (P) in de bodem is lang niet altijd beschikbaar voor de plant. Verschillende complexe bodemprocessen spelen hierbij een rol. Calcium, ijzer, aluminium, de bodemtextuur, pH en organische stof zijn van invloed. Bemesting en vochtvoorziening tijdens het groeiseizoen hebben invloed op het fosforgehalte in gras en snijmaiskuil. Voldoende vocht in de bodem zorgt er voor dat fosfaat in oplossing komt. In die vorm kan het gras het nutriënt opnemen. Gemiddeld bevat een voorjaarskuil 4 gram P per kg droge stof. Op percelen waar de fosfor-onttrekking structureel hoger is dan de aanvoer, is een daling van de fosfaattoestand van de bodem - en vervolgens ook in het gewas - op termijn wel te verwachten. BemestingsWijzer van BLGG AgroXpertus biedt inzicht in de staat van de bodem en geeft een advies voor bemesting.

Mengvoergrondstoffen bevatten normaal gesproken meer fosfor dan ruwvoeders. Daarnaast is het groeistadium van invloed op het gehalte: hoe ouder het gewas, hoe lager het P-gehalte. Ruwvoeders met een relatief hoog gehalte aan fosfor zijn bierbostel, gras en graskuil, terwijl snijmaïs, stro (later groeistadium dan gras en graskuil) en aardappelproducten weer erg laag in fosfor zijn.

Fosforgehalte (g/kgds); BLGG AgroXpertus 2009-2013
  Vers gras Graskuil Maissilage Luzerne
Gemiddelde 4,1 3,9 1,9 3,4
Streef-traject 3,0-4,5 3,0-4,5 1,8-2,5 3,0-4,0