Ruw eiwit totaal

Bij de bepaling van het ruw eiwitgehalte op het lab, wordt eerst de hoeveelheid stikstof bepaald. De hoeveelheid stikstof wordt teruggerekend naar de hoeveelheid eiwit (RE = 6,25 x N). Ruw eiwit totaal geeft deze totale hoeveelheid N, omgerekend naar eiwit weer, inclusief ammoniak. Tijdens het conserveringsproces treden fermentatieprocessen op waarbij ammoniak (NH3) kan ontstaat. Dit NH3 maakt ook deel uit van de fractie ruw eiwit totaal. Het ruw eiwit totaal gecorrigeerd voor het ammoniakgehalte is het ruw eiwit gehalte.

Uit analyses blijkt dat de NH3-fractie (als percentage van het gehalte ruw eiwit totaal) van snijmais tussen 2 en 15% ligt, met een gemiddelde van 7%. Deze spreidingen én het hogere niveau dan tot nu toe werd aangenomen komen waarschijnlijk door het hoge zetmeelgehalte in de Nederlandse maïs. Tijdens het conserveringsproces wordt een deel van de eiwitten, die als beschermlaag om de zetmeelkorrels zitten, omgezet in ammoniak. Meer zetmeel in de kuil resulteert in een hogere ammoniakproductie.

In grassilage kunnen ook hoge ammoniakgehalten voorkomen, zelfs tot 15% van het totaal aanwezige ruw eiwit. Bij hoge gehalten aan ruw eiwit kunnen dan hoge gehalten aan ammoniak ontstaan. Dit leidt tot een groot verschil (tot 3% absoluut) tussen het gehalte aan “Ruw Eiwit” en “Ruw eiwit totaal”